Auteur: Eddie Coppens

Onbevangen luisteren

 

Voor veel muziekliefhebbers heeft de recente en hedendaagse kunstmuziek iets geheimzinnigs, iets onbegrijpelijks: ze verbazen zich erover dat mensen die hun vak als componist toch moeten hebben geleerd, stukken gaan schrijven die, zacht gezegd, zo weinig ‘in het gehoor’ liggen.

Het verschijnsel is niet nieuw: ook in de dagen van Bach of Mozart werd er tegen vernieuwing geprotesteerd, en dit is ook bij andere kunst-uitingen het geval. Men kan het zich nu haast niet meer voorstellen maar ooit ging dit gepaard met hevige twisten, ja, zelfs tot kleine veldslagen in en om cultuurpaleizen.

Op alle gebieden, in alle tijden, zijn er kunstenaars die nieuwe wegen zoeken, omdat voortgaan op de oude paden voor hen niet zinrijk meer is. Dat in onze tijd elke ontwikkeling sneller gaat dan ooit tevoren, maakt het niet verwonderlijk dat de resultaten voor velen, die het verloop niet hebben gevolgd, vreemd in de oren klinken.

In een boekje uit de jaren zestig van vorige eeuw(!) ‘Hedendaagse muziek in de westerse wereld’ geeft de auteur de lezer de gelegenheid, een royale poging te doen om een merkwaardig gebeuren in eigen tijd te leren verstaan.

Volgende tekst is een aanloop tot een beter begrijpen van de recente en hedendaagse muziektaal.

 

Bevangen en onbevangen luisteren

Met de woorden bevangen en onbevangen worden twee verschillende houdingen ten aanzien van het rationele en het emotionele aangegeven. Onze betrekking tot de dingen die we, met ons verstand of met ons gevoel, trachten te begrijpen, kan direct zijn; in dat geval zijn we onbevangen. Wanneer de directe ervaring door allerlei invloeden wordt belemmerd zijn we bevangen.

In plaats van bevangen en onbevangen zou men ook de termen bevooroordeeld en onbevooroordeeld kunnen gebruiken.

De bevangenheid bij het muziekbeluisteren wordt ons al in onze eerste levensjaren meegegeven; door demuziek van onze omgeving groeien wij, onbewust, in de wereld van ons toonsysteem en in de uitdrukkingssfeer van het kinderliedje, het volkslied en de populaire muziek.

 

Zowel voor de eenvoudigste muziekconsument als voor de verfijnde melomaan schept de omgeving van de West-Europese muziek een vooroordeel tegen alles wat niet tot het domein van ons toonsysteem behoort. Wij spreken over muziek en bedoelen dan doorgaans onze Westerse muziek en dan in het bijzonder die van de laatste tweehonderd jaar.

Men kent de namen van enige componisten wier grootheid in onze tijd onbetwist is; de symfonie geldt als de meest omvattende vorm, het strijkkwartet als het intiemste ensemble.

De soortnaam symfonie of sonate schept een vooringenomenheid. De historisch gegroeide vorm is door de Weense klassieken, vooral door toedoen van Beethoven in de romantiek, tot maatstaf en voorbeeld geworden waaraan wij al het later volgende toetsen.

Onbevangen horen kunnen we definiëren als een wens, een ideaal. Het houdt in dat we de meningen die ons dierbaar geworden zijn, van tijd tot tijd ‘afstoffen’ en nog eens kritisch beschouwen. Het betekent dat wij onze eigen muzikale belevingen grondig herzien en deze steeds weer met de spontane indruk van het horen confronteren.

 

Factoren die het onbevangen luisteren beïnvloeden

De mate waarop ieder voor zich het onbevangen luisteren kan verwezenlijken hangt af van de mentale houding bij het beluisteren en beoordelen van muziek.

De factoren die deze houding bepalen zijn oorzakelijk:

  • het individu zelf
  • de omgeving
  • de ontwikkeling.

– De factor van het individu zelf, de muzikaliteit is de individuele potentie tot luisteren, het ‘oor voor muziek’.

– De factoren van de omgeving bevatten: opvoeding, het zelf musiceren, concert- en theaterbezoek.

– De factoren van de ontwikkeling: de dispositie voor het horen van muziek door toedoen van studies op gebied van muziekgeschiedenis, kunstgeschiedenis enz.

 

De muzikaliteit is aangeboren, zij is het ‘orgaan’, het gereedschap zonder hetwelk muziek geen weerklank kan vinden. Maar alle drie factoren hebben de heel specifieke vorm waarin ze werkzaam zijn gemeenschappelijk: die is autogeen – zelfstandig werkzaam en meestal niet bewust ervaren.

Het muziekonderricht en muziekbeleid moet zijn aandacht vooral richten op de factoren van de omgeving en die van de ontwikkeling. Het directe muzikale beleven is moeilijk van het ‘gevormde’ te scheiden, er moet dus in degene die naar muziek luistert, meer geschoold worden dan alleen het oor (het opname-orgaan), en ook meer dan het verdere opnemingsvermogen, de geestelijke vaardigheid die het gehoorde weet te bundelen tot het kunstwerk in zijn volle waarde, het “onbevangen”.

 

In de hedendaagse en avant-garde muziek worden muziekinstrumenten nogal eens ‘oneigenlijk’ gebruikt:

  • piano’s worden als slagwerk behandeld of rechtstreeks op de snaren beroerd, ze worden geprepareerd door allerhande objecten op of onder de snaren te plaatsen;
  • zelfs op blaasinstrumenten is de vaste toonhoogte niet meer heilig: glissandi en door overblazen diffuus gemaakte kreten verklanken het ongehoorde;
  • violen worden niet enkel gestreken op de snaren maar ook op de klankkast, ze worden gewreven, getokkeld, gevaagd, getikt en gepimpt met diverse attributen ten einde allerlei verrassende geluiden aan de fiedel te ontlokken.

Kinderen vinden het prachtig om met al deze ‘speeltjes’ te experimenteren, en laat dat nu net zijn waarmee ze bij Villa Viola onbevangen vertrouwd worden gemaakt.